Waarom leiderschap uitdagender wordt als medewerkers steeds meer zelf kunnen

Delivering
Your
Ambition

Ken je hem nog? Die goede oude tijd waarin een manager over iets beschikte wat medewerkers meestal niet hadden: overzicht. De manager kende de cijfers, had toegang tot informatie, sprak met andere afdelingen en bepaalde in belangrijke mate hoe het werk werd georganiseerd. Die verhouding verandert. Medewerkers beschikken over meer informatie, hebben meer specialistische kennis en kunnen steeds meer werkzaamheden zelfstandig organiseren en uitvoeren. In veel organisaties weet de professional die dagelijks met klanten, technologie of processen werkt op zijn terrein meer dan zijn manager.

Van instructie naar richting

De klassieke manager ontleent een deel van zijn positie aan kennis en controle: prioriteiten stellen, werk verdelen, voortgang bewaken en ingrijpen wanneer dat nodig is. Dat model wordt minder effectief wanneer de relevante kennis verspreid is over de organisatie. Een salesmanager kan niet bij iedere klant bepalen wat de beste aanpak is. Een directeur kan onmogelijk alle operationele kennis verzamelen die nodig is om dagelijks goede beslissingen te nemen. De waarde van de manager verschuift daarmee van het bepalen hoe het werk moet worden gedaan naar het bepalen waarom, waartoe en binnen welke grenzen.

Dat klinkt als meer vrijheid. In de praktijk betekent het vooral dat leiders betere keuzes moeten maken over wat ze wel en niet sturen.

Autonomie vraagt om kaders

Meer autonomie wordt vaak voorgesteld als een kwestie van vertrouwen. Geef mensen verantwoordelijkheid en ruimte, en de organisatie wordt vanzelf wendbaarder. Onderzoek laat een genuanceerder beeld zien. Autonomie hangt samen met onder meer betrokkenheid en tevredenheid, maar kan ook onzekerheid en extra belasting veroorzaken wanneer verantwoordelijkheden en verwachtingen onvoldoende duidelijk zijn. Onderzoek naar meer zelfsturing laat bijvoorbeeld zien dat medewerkers behoefte houden aan houvast, ook wanneer zij meer ruimte krijgen om hun werk zelf te organiseren.

Daarmee wordt een belangrijke taak van leiders zichtbaar: niet alle beslissingen zelf nemen, maar bepalen welke beslissingen waar worden genomen. Welke keuzes maakt een medewerker zelfstandig? Wanneer moet een team afstemmen? Waar liggen de grenzen? Hoe duidelijker die kaders, hoe groter de ruimte daarbinnen kan zijn.

De moeilijkheid zit in het loslaten

Echte autonomie betekent dat medewerkers soms beslissingen nemen die een manager zelf anders zou hebben genomen. Daar ontstaat in veel organisaties de spanning. Een medewerker die kiest voor een andere commerciële aanpak of een team dat het werk anders organiseert: de reflex van de leidinggevende is dan al snel om bij te sturen. Soms is dat terecht. Maar als autonomie alleen wordt toegestaan wanneer de uitkomst overeenkomt met de voorkeur van de leidinggevende, is er feitelijk weinig veranderd.

Het omgekeerde werkt evenmin. Medewerkers volledig vrijlaten zonder duidelijke richting of ondersteuning is geen goed leiderschap. Onderzoek naar laissez-faire leiderschap laat zien dat weinig ingrijpen juist kan worden ervaren als een gebrek aan steun en richting.

De opgave is dus niet om minder leiding te geven, maar om preciezer te bepalen waar leiding nodig is.

De manager hoeft niet de slimste persoon in de kamer te zijn

Dat wordt vooral zichtbaar in organisaties met veel specialistische kennis. De beste leider is niet noodzakelijk degene die op ieder inhoudelijk terrein het meeste weet. Hij moet vooral in staat zijn om kennis uit verschillende delen van de organisatie bij elkaar te brengen en te voorkomen dat individuele beslissingen ten koste gaan van het geheel. Zelfstandige professionals hebben niet minder behoefte aan leiderschap. Ze hebben behoefte aan leiders die het grotere verband bewaken. Dit maakt vooral middenmanagement complexer. Zij moeten strategie vertalen naar mensen die hun eigen vak verstaan en steeds minder behoefte hebben aan inhoudelijke instructies. Tegelijkertijd moeten zij signalen uit de organisatie terugbrengen naar het management.

De klassieke middenmanager was deels een schakel voor informatie en controle. Die functie wordt minder vanzelfsprekend. Dat betekent niet dat middenmanagement verdwijnt, maar de toegevoegde waarde verschuift naar het verbinden van belangen, het verduidelijken van prioriteiten, het oplossen van conflicten en het bewaken van samenhang. Daarvoor is andere autoriteit nodig: minder gebaseerd op positie en meer op oordeel.

Dat is niet vanzelfsprekend. Van managers wordt verwacht dat zij meer loslaten, terwijl zij verantwoordelijk blijven voor de resultaten. Ze moeten medewerkers ruimte geven, zonder de samenhang te verliezen; vertrouwen geven, zonder hun verantwoordelijkheid uit handen te geven. Die combinatie maakt modern leiderschap complexer dan simpelweg “meer autonomie geven. Leiderschap wordt daarmee een ontwerpvraag. Wanneer medewerkers steeds meer zelf kunnen, wordt het steeds minder effectief om leiderschap te definiëren als het controleren van individuele handelingen.

De belangrijkere vraag is hoe je een organisatie zo inricht dat beslissingen worden genomen op de plek waar de beste informatie beschikbaar is, terwijl iedereen weet welke richting de organisatie op wil en binnen welke grenzen gehandeld kan worden. Dat vraagt om duidelijkheid over doelstellingen, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en escalatiemomenten. Het vraagt ook om leiders die kunnen verdragen dat een goede beslissing soms anders is dan de beslissing die zij zelf zouden hebben genomen.

Daarmee verschuift leiderschap van controle naar ontwerp. Van: ‘hoe zorg ik dat mensen doen wat ik wil?’ naar: ‘hoe zorg ik dat mensen zelfstandig goede beslissingen kunnen nemen?’ Dat is uiteindelijk een hogere eis aan leiderschap. Want zolang een manager zelf de meeste beslissingen neemt, kan veel worden opgelost met kennis, ervaring en positie. Wanneer medewerkers steeds meer zelf kunnen, wordt zichtbaar of de leider ook zonder die middelen richting kan geven.

 

Meer in deze categorie
Go to Top